Gezondheidsinventarisaties
1994 - 2001
Van de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied
in Nederland, afd. Gezondheid, Gedrag en Welzijn ontvingen wij dit
rapport.
Wij zullen u de conclusies over de Basset
Fauve de Bretagne niet onthouden, de andere genoemde rassen zullen wij
weergeven als anoniem.
Overzicht van de onderzoeh1oepen waarover
in dit rapport verslag wordt gedaan.
Basset Fauve de Bretagne.
Tabel1 a.
Geboorte
enque. Leeft. Gem.
Ingevuld. Geen
verzonden
Jaar tering
bereik
leeft.
Retour
respons
totaal
Mnd
mnd
#
%
#
%
#
1997
2000
24-36
30
64
48,1
69
51,9
133
1995
1998
27-37
32
66
58,9
46
41,1
112
1994
1997
27-39
33
72
76,6
22
23,4
94
1996
1999
36-47
43
74
55,2
60
44,8
134
1993
1997
40-40
46
52
61,2
33
38,8
85
1992
1997
52-63
57
88
62,4
53
37,6
141
Tabel
1 b.
Leeftijd
gem.
retour
geen
verzonden
Bereik
leeft.
ingevuld
respons
totaal
Mndmnd
#
%
#
%
#
24-63
41
416
59,5
283
40,5
699
Geslachtsverhoudingen
Basset Fauve de Bretagne.
Tabel
2.
Leeftijd
gem.
reuen
teven
Bereik
leeftijd
totaal
Mnd.
Mnd.
#
%
#
%
#
24-63
41
193
46,4
223
53,6
416
Overzicht van
de
cumulatieve sterfte Basset Fauve de Bretagne.
Tabel
3.
Leeftijds-
gem.
sterfte
tot en met de leeftijd van.
Bereik
leeft.
1 jr
2 jr.
3
jr.
4 jr.
5 jr.
6 jr.
7 jr.
8
jr
Mnd.
Mnd.
%
%
%
%
%
%
%
%
24 – 63
41
3,9
8,0
10,1
10,1
Vergelijken
wij de sterftecijfers op 4 –
jarige leeftijd van deze rassen (anoniem) met die van de Basset Fauve
de Bretagne
en de ras ( anoniem ) , dan blijkt dat bij de laatste twee een ander
soort
problematiek aan de orde is. Hun belangrijkste probleem is de
epilepsie, een
afwijking die op relatief jonge leeftijd zijn tol heft en die,
behoudens een
uitzonderlijke situatie, met de toegepaste individuele selectie tot
aanvaardbare niveaus is terug te brengen.
Bij
deze cijfers, wellicht nog eer dan bij de
ander, moeten we bedenken dat ze gevoelig kunnen zijn voor vertekening
door
invloeden vanuit emoties van de eigenaren. Het is denkbaar dat
eigenaren die
hun hond lang voor de ênquetering
door sterfte
verloren, minder bereid zijn om aan de ênquete
mee te
werken omdat ze inmiddels de binding met de hond, misschien
zelfs het ras kwijt zijn.
Hierdoor
zou het percentage sterfte worden
onderschat. Evenzeer zou bij eigenaren die hun hond doorsterfte
verloren juist
een verhoogde motivatie tot meewerken aan het onderzoek kunnen
optreden. Dit
zou tot een overschatting van het sterfte leiden. Wij hebben in het
kader van
deze onderzoeken geen middelen om hierover zekerheid te krijgen.
Ondanks
de voorgaande betreffende onder – en
over schattingen, de hier gepresenteerde gegevens geven voldoende basis
voor
het nemen van actie.
Niet alleen in de vorm van overleg over het
te
voeren fokkerij – en selectiebeleid. Ook als startpunt voor de
discussie over
vervolgonderzoeken die opheldering moeten verschaffen over de oorzaken
van te
vroege sterfte en over de meest adequate maatregelen om die oorzaken
weg te
nemen.
Honden horen een hondenleven lang mee te
kunnen gaan.
Onder het
hoofdstuk : Gezondheidsproblemen opgesplitst per systeem.
Zenuwstelsel:
De normwaarden moeten wij hier
op hooguit 1% stellen. Voor vrijwel alle rassen gaat in deze categorie
om
epilepsie, een afwijking die naar het lijkt niet bij alle rassen
dezelfde
genetische basis heeft wordt omdat daarmee ook de mogelijkheden voor
het
bereiken van de oplossingen heel verschillend kunnen zijn.
De
rassen Basset Fauve de Bretagne ( 8,4 %) ,
de anoniem ( 7,6 % ), en de
anoniem ( 7,4 % ) scoren extreem hoog.
Daarbij
moet worden gemeld dat dit probleem
bij de Basset Fauve de Bretagne inmiddels drastisch is gereduceerd
dankzij de voortvarende aanpak van de rasvereniging en de fokkers.
Systemen:
|
|
|
|
| Huid en
Haar |
1 |
spijsverteringsstelsel |
11 |
| Wervelkolom |
2 |
nieren
en urinewegen< |
12 |
| Ledematen |
3 |
melkklieren |
13 |
| Gebit |
4 |
geslachtsorganen |
14 |
| Zenuwstelsel |
5 |
voortplanting |
15 |
| Ogen en
gezichtsvermogen |
6 |
hormonen |
16 |
| Oren en gehoor |
7 |
lever |
17 |
| Bloed en afweer |
8 |
gedrag |
18 |
| Hart en vaatstelse |
9 |
|
|
| Longen en luchtwegen |
10 |
|
|
Tabel
4 a – b – c.
1
2
3
4
5
6
Leeftijd
gem.
huid &
wervel
lede
gebit
zenuw
ogen &
Bereik
leeft.
Haar
kolom
maten
stelsel
gez.verm
totaal
Mnd mnd
#
%
#
%
#
%
#
%
#
%
#
%
#
24 - 63
41
38
10,0
11
2,9
28
7,4
7
1,8
32
8,4
12
3,2
379
7
8
9
10
11
12
leeftijd
gem.
oren &
bloed
&
hart &
longen &
spijsvert.
nieren &
bereik
leeft.
Gehoor
afweer
vaatst..
luchtw.
Stelsel
urinewegen
totaal
mndmnd
#
%
#
%
#
%
#
%
#
%
#
%
#
24 – 63
41
22
8,5
1
0,3
1
0,3
9
2,4
30
7,9
9
2,4
379
13
14
15
16
17
18
Leeftijd
gem.
melk
geslachts- voort-
hormonen lever
gedrag
Bereik
leeft.
klieren
organen
planting
totaal
Mndmnd
#
%
#
%
#
%
#
%
#
%
#
%
#
24 – 63
41
1
0,3
27
7,1
0
0,0
8
2,1
0
0,0
12
3,2
379
Overzicht van
de gezondheidsproblemen
per ras, uitgedrukt als
veelvoud van de gekozen normwaarden en
afgerond op
hele getallen.
In
de tabel zijn de waarden 0 en 1 weggelaten hetgeen betekent dat er geen
waarde is
ingevuld wanneer het voor het ras gevonden percentage beneden
de
anderhalf maal de normwaarde “
ligt.
Tabel 5.
Leeftijd gem
systemen.
Bereik
leeft..
Mnd.
Mnd.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
Normwaarde
7%
1%
3%
1%
1%
1%
1%
0,5%
0,5%
0,5%
3%
24 – 63
41
-
3
2
2
8 3
6
-
-
5
3
Castraties als beperkende factor voor de
fokkerij.
Overzicht van de cumulatieve castraties
van reuen per ras.
Tabel 6a.
Leeftijd
gem.
castraties
van reuen tot en met deleeftijd
van
Bereik
leeftijd.
1 jr
2 jr.
3
jr.
4 jr.
5 jr.
6.jr.
Mnd
mnd
%
%
%
%
%
%
24 – 63
41
7,6
21,3
23,3
27,6
27,6
Overzicht van de cumulatieve castraties
van teven per ras.
Tabel 6b.
Leeftijd
gem.
castraties
van teven tot en met de leeftijd van.
Bereik
leeftijd
1 jr.
2.jr.
3.jr.
4.jr.
5.jr.
6.jr.
Mnd.
Mnd.
%
%
%
%
%
%
24 – 63
41
24,9
47,2
49,5
59,1
63,2
Castraties
als
beperkende factor voor de fokkerij
Castraties
zijn vanuit foktechnisch
oogpunt om twee redenen van
belang. Het oorspronkelijke motief om deze vraag op te nemen was dat er
in het
dier gelegen redenen zouden kunnen zijn die een dergelijke ingreep
noodzakelijk
maken. In dat geval zou er sprake kunnen zijn van een gezondheids
– of welzijnsprobleem voor de hond of een
probleem voor de eigenaar.
Het
tweede aspect dat van belang is, is dat
elke gecastreerde hond een hond is die
aan het potentiële fokbestand wordt ontrokken.
In
de tabellen 6a en
6b wordt een overzicht gegeven van het met
de leeftijd toenemende percentage gecastreerde reuen en teven. Met name
bij de
teven gaat het bij sommige rassen om een aanzienlijk aantal deel van
het
bestand dat op deze wijze wordt ontrokken aan de fokkerij. Bij een
aantal
rassen is veertig tot vijftig procent van de teven op een leeftijd van
2 jaar
definitief uitgeschakeld voor de fokkerij. Bij reuen gaat het wat
minder hard,
hier zijn we de eerste tien procent van de potentiële fokdieren kwijt
bij de leeftijd
van twee jaar.
In
het onderzoek naar mogelijke verbanden
tussen castraties en overige kenmerken kon voor geen enkel ras een
structureel
verband worden aangetoond. Er waren bij elk ras wel incidenteel de
individuele
gevallen waarbij motieven waren om tot castratie over te gaan, er
konden geen gezondheids – en gedragsredenen worden gevonden die voor
grote delen van een of meer van de rashondenpopulaties van toepassing
waren.
Daarmee
bereiken we de conclusie dat
castraties vooral te maken hebben met houderijcultuur en slechts in
heel beperkte mate met gezondheids – of
de welzijnssituatie van de honden.
In
onze huidige cultuur van omgang met honden
bepalen twee belangrijke partijen de stemming. We hebben allereerst de
eigenaren die in onze moderne maatschappij en toenemende mate afstand
krijgen
tot basale biologische processen. Zij kiezen vaker dan voorheen voor
een zeker
“gebruiksgemak””. Daarnaast zien we dat vanuit de veterinaire
wetenschap
castraties warm worden aanbevolen. Het motief dat hierbij aan de orde
komt is
dat het zo goed zou zijn voor het
welzijn van de honden. Reuen leiden een “”beduidend rustiger leven”” en
bij
teven voorkomt castratie op jonge leeftijd het ontstaan van
melkkliertumoren.
Voor
zover er sprake zou kunnen zijn van een gezondheids
– en
welzijnsbelang voor de teef, heeft het ook een andere kant. Het
ontstaan van dit type
tumoren heeft in
belangrijke mate een erfelijke basis en door systematisch te castreren
vermijden wij weliswaar pijn,
last,
ongemak ( gebrek aan welzijn ) voor het nu levende individu, We
ontnemen
onszelf echter een deel van de mogelijkheden om gericht op deze kwaal
te
selecteren Daarmee nemen we het grote risico dat we gedoemd zijn te
blijven
castreren “in het belang van het welzijn van onze honden.
Ongeacht
hoe we oordelen in de afweging tussen
de belangen van de nu levende hond en de generaties die volgen, we
verliezen in
ieder geval een aanzienlijk percentage potentiële fokdieren.
Dieren
die vooral in kleinere populaties van
groot belang zouden kunnen zijn voor de toekomst van het ras.
Tot
zover een samenvatting van belang zijnde
voor de Basset Fauve de Bretagne uit bovengenoemd rapport.
Bij
de Raad van Beheer kunt u het volledige
rapport van de gezondheidsênquete bestellen.
Deze
pagina's zijn pas
vernieuwd.
Indien u een aanvulling heeft of als u een fout of onvolkomenheid
ontdekt wilt u dat dan doorgeven aan:
Disclaimer
|