|
De Griffon Fauve de Bretagne
Fauvenbulletin
No 60 augustus 2004
De voorouder van de Basset Fauve de Bretagne
Met toestemming van de schrijver
gepubliceerd. Hiervoor onze dank.
Tekst en foto’s: Ton Populier
De Griffon Fauve de Bretagne.
Ongekunsteld.
Typerend voor de Franse Brakken is dat er
binnen een bepaald streektype meerdere rassen voorkomen. We zien dit
bij de Griffons Vendéens, de Bleu de Gascogne en ook bij de Griffons
uit Bretagne.De rassen vertonen een groot aantal gemeenschappelijke
kenmerken en verschillen onderling vooral in beenlengte.
Naast de Bassets uit de Vendée, Gascogne en
Bretagne bestaan er hoogbenige uitvoeringen.
Eigenlijk is het juister om te spreken over
normaalbenig, want de Bassets danken hun korte beentjes juist aan een
erfelijk vastgelegde afwijking. Hoe en wanneer dat allemaal tot stand
is gekomen, daar kunnen we alleen maar naar raden. Datzelfde geldt
trouwens niet alleen voor de Bassets, maar ook voor Teckels, Dasbrakken
en sommige Terriers. Feit is wel dat het moedige karakter van de grote
voorouder voort blijft bestaan in zo’n klein lijfje.
Het is voor velen bijna ondenkbaar dat de
kleine Basset Fauve de Bretagne voortkomt uit een hond met een
schouderhoogte van zo’n 65 centimeter. Deze oorspronkelijke Grand
Griffon Fauve de Bretagne is verdwenen, maar een kleinere versie kennen
we onder de naam Griffon Fauve de Bretagne.
Net als de gelijknamige Basset is het geen
opvallende verschijning. Hij springt niet in het oog door een
overvloedige beharing. overgeproportioneerde spierbundels, een super –
adellijke uitstraling of wat dan ook. Daardoor is de Griffon Fauve de
Bretagne nog niet opgemerkt door de showwereld. En zelfs in de
jagerswereld kennen velen hem nauwelijks.
Ongekunsteldheid is een raskenmerk van de
Griffon Fauve de Bretagne; de raspunten laten daarover geen
misverstanden. " Maakt veel meer een indruk van kracht en boersheid dan
van grote verfijning", daarmee opent de rasstandaard. De Basset Fauve
is kortbenig en wat compacter van bouw, maar lijkt verder in alle
opzichten op de Griffon Fauve.

Wispelturigheid.
Wanneer we over het wel en wee van de Franse
brakken praten, dan komt steeds hetzelfde patroon terug. Of het nu gaat
over de Grand Bleu de Gascogne, de Porcelaine, de Grand Griffon
Vendéén, om maar eens wat rassen te noemen, het is ze niet allemaal
voor de wind gegaan.
Geroemd in de vorige eeuw, daarna vergeten,
bijna verdwenen en vrij recent weer in ere hersteld. De oorzaken komen
vrijwel overeen; oorlogsgeweld,verdwijnen van wild, veranderingen van
jachtmethoden en niet te vergeten, de wispelturigheid van de
‘’consument’’. De Griffon Fauve de Bretagne verging het niet anders.
Toch praten we over een vann de oudste
jachthondenrassen die Frankrijk heeft voortgebracht. Toen de schrijver
Jacques du Fouilloux in 1585 een indeling maakte naar de voornaamste
Brakkenrassen, noemde hij specifiek de ‘’ rode ruwharige brak uit
Bretagne’’. Hij verwees zelfs naar een Bretonse Griffon die 65 jaar
eerder volop gebruikt werd als outcross in de koninklijke meutes.
Du Fouilloux verdoezelde niet dat aan deze
honden duidelijk beperkingen kleefden: hun wilde , ongedisciplineerde
gedrag maakte ze ongeschikt voor de strak geregelde hertenjachten van
het hof. Maar hij prees hun felheid en moed voor de jacht op die
formidabele tegenstander de wolf. Dit schitterende roofdier kennen wij
gelukkig inmiddels als een waardevolle schakel in de ecologische
regelkring, maar in vroeger tijden gold het motte: de enige goede wolf
is een dode wolf.
Buiten Bretagne had de Griffon Fauve de
Bretagne geen aanhangers, wat deels verklaard kan worden door de vele
andere rassen die ook geschikter waren als wolfshond.
De Grand Griffon Fauve was namelijk zó
onstuimig, dat hij maar beperkte tijd achtereen kon worden ingezet.
Voor dit ras geen urenlange achtervolgingen tot in het holst van de
nacht. Maar dat gaf ook niet, gezien de in Bretagne populaire
jachtmethode: zodra de opgestoten wolf de dekking verliet, probeerden
de jagers op hun paard vóór het dier te komen om het met een schot uit
de karabijn neer te leggen.

Bewonderaar
De geringe trouwe aanhangers van de Grand
Griffon Fauve bevonden zich in de ruigere delen van Bretagne. Zoals de
graaf de Saint-Prix, een verwoed wolfsjager, die aan het begin van de
vorige eeuw in de omgeving van Morlaix (Finistère) woonde. Met de
laatste honden van Saint-Prix startte burggraaf de Madec zijn eigen
meute. Hij bewoonde een jachtkasteeltje dicht bij de moderne
toeristische trekpleister de Mont Raz , waar nog aardig wat wolven te
vinden waren. De Madecs mooiste reu Lourdeau kreeg onverwacht
landelijke bekendheid. Zijn eigenaar nam hem en enkele kennelgenoten
mee naar de tweede nationale hondententoonstelling in Parijs (1865).
Voor kynologen uit die tijd was het een grote verrassing dat de Griffon
Fauve nog bestond en daaraan werd in publicaties grote aandacht
besteed.
De allergrootste bewonderaar van het ras was
een neef van de Made, graaf Maurice Halna de Fretay. Hij bemachtigde de
volledige meute van zijn oom en zette alles op alles om het ras zuiver
te houden. Het gevaar van zware inteelt lag op de loer, want er waren
nog amper Grands Griffon Fauve te vinden. Halna omzeilde dat door het
inkruisen van de Grand Griffon Vendéen, een aanverwant ras en van
oudsher ook een echte wolfshond. Maar wolven werden steeds zeldzamer in
Bretagne. Het laatste exemplaar sneuvelde in 1885 in de omgeving van
Sizun. Wild zwijn en vos hadden allang de plaats ingenomen als favoriet
jachtwild. Het te paard jagen met een geweer raakte volledig uit de
mode, men organiseerde drijfjachten te voet. Er waren vele rassen
voorhanden die hiervoor duidelijk beter geschikt waren. Door de roem
van Halna’s honden waren er nog steeds jagers die voor Griffons Fauves
kozen. Weinigen voelden zich echter geroepen om dit ras met zijn bijna
onhandelbare karakter zuiver te houden en daardoor kwamen allerlei
kruisingen tot stand. In korte tijd verloor de Grand Griffon Fauve de
Bretagne sterk aan hoogte. Kwam dit door degeneratie of een gewijzigd
fokbeleid en het inkruisen van andere ( kleinere ) rassen? In het
midden van de vorige eeuw was de gemiddelde hoogte van de Grand Griffon
Fauve nog zo’n 65 centimeter. De eerste offficiële standaard in 1922
bracht dat terug tot 55 - 60 centimeter voor reuen en 52 tot 57
centimeter voor teven.
Eigenzinnig
Vervelend was dat er steeds meer honden
onder de naam Griffon Fauve verhandeld en geëxposeerd werden die er
totaal niet meer op leken. De Sociéte Centrale Canine (SCC), de
Franse Kennel Club, stoorde zich hier mateloos aan. Zij eiste
vervolgens in 1928 dat de Bretonse Kennel Club op korte termijn een
fatsoenlijke inschrijving van Griffons Fauves de Bretagne bij elkaar
moest zien te krijgen op een show. Zoniet, dan zou het ras niet langer
erkend worden. Maar de eigenzinnigheid van de Bretons is
spreekwoordelijk en door Parijzenaars laten zij zich al helemaal niet
de wet voorschrijven. En zo kwam het dat de SCC in 1930 officieel
bekend maakte:
"Het ras komt niet meer in raszuivere staat
voor, ook niet in de streek van herkomst".
Dat die conclusie onjuist was, bleek na de
Tweede Wereldoorlog. Liefhebbers van de Fauve de Bretagne vonden het
hoog tijd worden dat de beide rassen de erkenning kregen die ze
verdienden. Dus organiseerden zij een keuring in 1947 voor alles wat op
een Fauve de Bretagne leek. Nu waren de Bretons onder elkaar en er
werden maar liefst achttien honden inschreven als een Griffon Fauve. Ze
voldeden lang niet allemaal aan het rasbeeld en de invloed van andere
Griffonrassen was soms overduidelijk. Maar de start was gemaakt
Om een jachthondenras nieuw leven in te
blazen is er meer nodig dan te letten op uiterlijkheden. Dan heb je
mensen nodig die iedereen kenbaar maken dat je alleen genoegen kunt
nemen met een hond die mooi én goed is. De oprichters van de
rasvereniging kozen niet voor niets als devies: "Chasse d’abord".
(jacht op de eerste plaats").
De Griffon Fauve heeft bekende voorvechters
gehad, zoals Marcel Pambrun, mede-oprichter en dertig jaar lang
voorzitter van de rasvereniging. Maar de steun kwam ook uit volledig
onverwachte hoek. Maurice Mellerio was in die begintijd een naam in de
jachtwereld: als staatsjager bestreed hij al veertig jaar wilde zwijnen
en vossen. Zijn Beagle-Harriers waren wijd en zijd bekend. In een jaar
tijd verloor hij niet minder dan vijftien honden als gevolg van zwijnen
en schietgrage jagers. Om zijn meute weer op sterkte te brengen,
speurde hij heel West-Frankrijk af naar bruikbare honden. Op het
Bretonse platteland kocht hij twee reuen en een teef, waarin hij de
raskenmerken van de Griffon Fauve herkende. Door deze honden en hun
nakomelingen leerde hij het ras bijzonder waarderen. Hij bracht ze uit
op shows en publiceerde er artikelen over. En dat had uitstraling, want
wat goed was voor Mellerio, moest wel goed zijn voor iedere andere
jager.
Geen rancune
Gelukkig toonde de SCC geen rancune en kreeg
de Griffon Fauve in 1951 weer de status van een erkend ras met een
officiële standaard. Die week slechts in details af van die uit 1922,
met uitzondering van de maat. Voor reuen en teven ging de
schouderhoogte met vijf centimeter naar beneden (reuen 50-55 centimeter
en teven 47-52 centimeter, met een tolerantie van twee centimeter voor
uitzonderlijke exemplaren). Dat is heel wat kleiner dan de honden van
De Madec en Halna. Alle reden dus om het woordje "grand" (groot)
definitief te laten vervallen uit de rasnaam.
Langzaam werden er vorderingen gemaakt
binnen het ras. De echte bloei startte pas in de jaren tachtig en is na
die tijd eigenlijk niet meer gestagneerd. De fokkers stonden onder
aanvoering van Bernard Vallée ( kennel Menez Huel ), sinds 1985
voorzitter van de sterk groeiende rasvereniging. De voornaamste
verbetering die zij realiseerden, was het verkrijgen van een
handelbaarder karakter. Brakkenjagen is namelijk is anders dan de
honden ergens loslaten en hopen dat je ze ’s avonds allemaal weer terug
vindt. De honden moeten gestopt kunnen worden en reageren op de stem en
de hoorn van de jagers. En ze moeten ander wild negeren.
Vooral het laatste is geen sterk punt van de
Griffons met hun onstuimige karakter. Ingewijden kenden het ras
uitsluitend als een hond voor de jacht op wild zwijn en vos. Steeds
vaker toonden Griffons Fauves aan dat zij ook geschikt waren voor ander
wild. Zoals ree en haas, die veel meer een beroep doen op rustig
speurwerk. Sindsdien is de belangstelling voor het ras met zijn
handzame formaat enorm gestegen. Met zo’n vierhonderd inschrijvingen
per jaar in het stamboek is dan ook niet langer sprake van een numeriek
zwak ras.
Opportunist
De enorme schade die wilde zwijnen kunnen
toebrengen aan landbouwgewassen maakt ze gehaat bij boeren. Onder druk
van landbouworganisaties huurt de Franse overheid op grote schaal
jagers in om wilde zwijnen te verdelgen. In Bretagne lijkt dat aardig
te lukken. De meeste Franse districten melden een forse toename van
wilde zwijnen in de afgelopen jaren, maar dat gaat niet op voor
Bretagne. In de districten Finistère en Morbihan komen zelfs nauwelijks
meer zwijnen voor.
Heel anders ziet het er uit voor de vos.
Deze opportunist pur-sang weet steeds meer terrein te winnen en zijn
aantal neemt overal toe. Vossen voelen zich uitstekend thuis in dichte
begroeiing en laten zich daar niet eenvoudig uit verjagen. Dat is een
kolfje naar de hand van de Griffon Fauve. Zijn dichte, harde vacht
beschermt hem optimaal tegen de doorns en zijn enorme jachtpassie doet
de rest.
Veel Bretonse fokkers van de Griffon Fauve
leggen zich met succes toe op dit wild.
Een mooi voorbeeld bleek vorig jaar januari
tijdens een veldwedstrijd op vos, georganiseerd door de Club Francais
du Beagle, Beagle-Harrier et Harrier. Zestien meutes van allerlei
rassen namen deel en tientallen vossen werden fanatiek bejaagd. Aan het
eind van de wedstrijd kon de jury heel wat jachtbrevetten toekennen:
slechts twee honden kregen de kwalificatie "excellent". Beide honden
waren Griffons Fauves de Bretagne, die toebehoorden aan Didier Masson
uit Botsorhel ( Finistère).
Maar niet alleen op dat gebied trekken
Griffons Fauves de aandacht. In 1992 behaalde een meute van René
Trécherel ( kennel Chemin de l’ Epine) de eerste prijs bij de
belangrijkste veldwedstrijd op ree. Drie jaar later herhaalden deze
honden bijna hetzelfde. Toen moesten zij genoegen nemen met de tweede
plaats.
In heel Frankrijk heeft de Griffon Fauve de
Bretagne voet aan de grond gekregen. Sterker nog, de rasvereniging
maakt zich er wat zorgen over dat de belangstelling op dit moment
buiten Bretagne veel groter is dan in de geboortestreek zelf.
Over toeval gesproken: wanneer de
hoofdredacteur me belt om wat op papier te zetten over dit ras, heb ik
net een week in de Belgische Ardennen achter de rug. Een wildrijke
omgeving zoals velen weten en een waar paradijs voor reeën, vossen en
zwijnen. In die week zie ik welgeteld één jachthond op een
boerenerf…inderdaad, een Griffon Fauve de Bretagne
Deze
pagina's zijn pas
vernieuwd.
Indien u een aanvulling heeft of als u een fout of onvolkomenheid
ontdekt wilt u dat dan doorgeven aan:
Disclaimer
|