|
|
Zweetspoorproef F
Artikel IV.F.1
DOEL
Het doel van deze
proef is het vaststellen
van de mate van geschiktheid
van de deelnemende honden voor de nazoek op ziek grofwild.
Artikel IV.F.2
TOELATINGSEISEN
1. Om aan deze proef te mogen deelnemen
moet de hond de aantekening Sv
(zie Artikel II.A.7) of een overeenkomstige buitenlandse aantekening
hebben behaald.
2. Voorjagers mogen niet aanwezig zijn geweest bij het leggen van
sporen.
Artikel IV.F.3
KEURMEESTERS
1. De proef wordt
beoordeeld door drie keurmeesters.
2. Aan één keurmeestersteam mogen maximaal acht honden ter beoordeling
worden toegewezen.
Artikel IV.F.4
DE INRICHTING VAN DE PROEF
1.
Het terrein
De sporen worden gelegd in enigszins onoverzichtelijke, voldoende met
schaalwild bezette percelen, bij voorkeur afwisselend terrein bestaande
uit bospercelen, kaalslagen,dekkingen en bosweitjes; openbare wegen en
veel belopen paden dienen zo mogelijk te worden
vermeden. Indien de bodem is bedekt met sneeuw mogen geen sporen worden
gelegd.
2. De
lengte van het spoor
De lengte van elk spoor is, niet inbegrepen
het gestelde onder Artikel
IV.F.6.2, ongeveer 500 meter.
3. De
vorm van het spoor
Het spoor dient bij voorkeur licht gebogen te zijn en dient enigszins
slingerend te verlopen.
4.
Haken, wondbedden en verwijspunten
In het spoor moeten twee rechthoekige haken, één wondbed en drie
verwijspunten voorkomen.
5.
Zweet
Per 100 meter spoor wordt ongeveer 25 ml zweet van schaalwild gebruikt.
Het zweet dient voor alle sporen van dezelfde wildsoort te
zijn. Uitgezonderd kleine hoeveelheden
keukenzout is geen enkele toevoeging aan het zweet toegestaan.
Indien zweet wordt gebruikt dat
ingevroren is geweest dient dit vóór het leggen van de sporen volledig
ontdooid te zijn.
6. Het
leggen van het spoor
Het leggen van het spoor geschiedt door "tippen" of "sprenkelen". De
wijze van sporen leggen, dient voor alle sporen dezelfde te zijn. Het
spoor dient vanaf de "aanschotplaats"
naar "het stuk" te worden gelegd.
7. Het
markeren van het spoor
De aanschotplaats wordt gemarkeerd met zweet, snijhaar en een
aanschotbreuk met vluchtrichting. In de nabijheid van de aanschotplaats
wordt het nummer van het spoor
aangegeven. In het spoor worden wondbedden gesimuleerd door
vastgetreden bodem, extra zweet en wat
snijhaar. Aan het einde van het spoor wordt een stuk schaalwild
neergelegd. In plaats van een stuk
schaalwild mag ook een afgestroopte (ontdooide) huid van ree, hert of
varken worden
gebruikt. Overige markeringen van het spoor dienen zo spaarzaam
mogelijk en zodanig te worden aangebracht dat
zij voor voorjager en hond geen hulpmiddel bij het volgen van het spoor
zijn.
8. De
onderlinge afstand tussen de sporen
Voor elke deelnemer dient een afzonderlijk spoor te worden gelegd. De
onderlinge afstand tussen de verschillende sporen dient over de gehele
lengte minimaal 200 meter te
zijn.
9. De
ouderdom van het spoor
Bij aanvang van de proef dient het spoor minimaal twintig en maximaal
vierentwintig uur oud te zijn.
Artikel IV.F.5
DE WERKWIJZE
1. De hond moet
worden voorgejaagd aan een ten minste zes meter lange,
geheel afgedokte zweetriem met zweethalsband.
2. De keurmeesters wijzen de voorjager de aanschotplaats; van daaruit
moet de combinatie voorjager - hond geheel zelfstandig werken.
3. Voorjagers mogen, naar eigen goeddunken, teruggrijpen,
vooruitzoeken, afdragen of pauzes inlassen.
Desgevraagd moet de voorjager de reden van zulk gedrag aan de jury
melden. Veelvuldig afdragen en of lange pauzes inlassen leidt tot een
lagere waardering en kan tot
uitsluiting leiden.
4. Voorjagers mogen tijdens het werk aangetroffen zweet, wondbedden en
andere aanknopingspunten, die hen voor een eventueel teruggrijpen
belangrijk lijken, markeren.
Desgevraagd moet de jury het laatst gemarkeerde punt aanwijzen.
5. De keurmeesters volgen de combinatie voorjager - hond op een
redelijke afstand, zodanig dat zij het werk goed kunnen beoordelen en
dit tegelijkertijd zo min mogelijk
beïnvloeden. Zij blijven volgen óók indien de hond het spoor niet meer
volgt.
6. Een hond wordt door de keurmeesters afgeroepen indien deze over een
afstand van ongeveer vijfenzeventig tot honderd meter het spoor niet
heeft gevolgd of indien
de hond zodanig van het spoor is afgedwaald dat van de combinatie
voorjager - hond, naar het oordeel van
de keurmeesters, in
redelijkheid niet meer verwacht kan worden dat zij zich zelfstandig
zullen verbeteren.
7. Indien een hond wordt afgeroepen moet het spoor door de combinatie
voorjager - hond zelfstandig worden teruggevonden.
8. Voor combinaties, die het spoor niet binnen redelijke tijd, zulks
ter beoordeling van de keurmeesters, kunnen terugvinden en voor honden,
die voor de derde maal worden
afgeroepen, wordt de proef voortijdig beëindigd.
9. Voor combinaties, die niet binnen circa één uur bij het stuk zijn,
wordt de proef voortijdig beëindigd.
10. Indien een voorjager met zijn hond aan het stuk komt en naar het
oordeel van de keurmeesters de
proef met goed gevolg heeft afgelegd, wordt door één van de
keurmeesters aan de voorjager een
breuk overhandigd.
Artikel IV.F.6
TOTVERWEISEN EN TOTVERBELLEN
1. Indien deelnemers
deze proef willen afleggen met totverweisen of
totverbellen, dienen zij dit op het inschrijfformulier te melden.
2. Om het totverweisen of totverbellen te beoordelen wordt het spoor
met ongeveer 200 meter verlengd en wordt op ongeveer 500 meter vanaf de
aanschotplaats een tweede
wondbed aangelegd.
3. Bij het tweede wondbed aangekomen wordt het werk aan de riem
afgebroken en wordt de hond, op aanwijzing van de keurmeesters geslipt;
daarna moet de hond het spoor
zelfstandig uitwerken tot aan het stuk; de voorjager moet op de plaats
waar hij de hond heeft geslipt
achterblijven.
4. In het geval van totverweisen, moet de hond, nadat hij het stuk
heeft gevonden, onmiddellijk naar de voorjager terugkeren, hem kenbaar
maken dat hij het stuk heeft gevonden
en hem naar het stuk brengen. Voorafgaande aan de proef moet de
voorjager aan de keurmeester
meedelen hoe de hond hem kenbaar maakt dat hij het stuk heeft gevonden.
5. In het geval van totverbellen, moet de hond, nadat hij het stuk
heeft gevonden, luid geven; dit luid geven mag door de voorjager niet
worden aangemoedigd en moet voortduren
tot de voorjager bij het stuk is aangekomen.
6. Honden, die het wild aansnijden, worden gediskwalificeerd.
7. Eén van de keurmeesters moet zich bij dit deel van de proef zodanig
opstellen dat hij de hond, die bij het stuk komt, kan observeren.
Artikel IV.F.7
DE BEOORDELING
1. Deze proef wordt
gekeurd op onderdelen.
De onderdelen zijn:
• WERKWIJZE
• SPOORVASTHEID
• SPOORWIL
2. Aan elk onderdeel wordt een vermenigvuldigingsfactor toegekend.
3. Elk onderdeel wordt gewaardeerd met een cijfer.
De betekenis van de cijfers is:
0 = onvoldoende;
1 = matig;
2 = voldoende;
3 = goed;
4 = zeer goed.
4. Bij het onderdeel "WERKWIJZE" wordt beoordeeld: de passie,
intelligentie en autoriteit waarmee het spoor wordt uitgewerkt, het
werktempo en de mate van samenwerking met
de voorjager.
Bij het onderdeel "SPOORVASTHEID" wordt
beoordeeld: de mate van
zekerheid en zorgvuldigheid waarmee het spoor wordt uitgewerkt.
Bij het onderdeel "SPOORWIL" wordt beoordeeld: de
mate van ijver en
intentie waarmee op het spoor wordt gewerkt en in voorkomend geval het
verloren spoor wordt
teruggezocht.
Artikel IV.F.8
KWALIFICATIES
1. Zie A.V.R.
hoofdstuk VIII.
2. Om voor een (reserve)werkkampioenschapsprijs in aanmerking te komen
moet de hond voor alle
onderdelen het waarderingscijfer 4 hebben behaald.
3. Voor de overige kwalificaties wordt verwezen naar onderstaande tabel.
| Onderdeel |
Factor |
Minimaal
waarderingscijfer |
|
|
UI |
ZGII |
GIII |
| Werkwijze |
10 |
4 |
3 |
2 |
| Spoorvastheid |
8 |
3 |
3 |
2 |
| Spoorwil |
7 |
3 |
2 |
2 |
Artikel IV.F.9
AANTEKENINGEN1. Honden, waaraan
de kwalificatie "U" / "I" is toegekend verwerven de
aantekening ZWEETHOND F1 = Zw F1.
Honden, waaraan de kwalificatie "ZG" / "II" is toegekend verwerven de
aantekening ZWEETHOND F2 = Zw F2.
Honden, waaraan de kwalificatie "G" / "III" is toegekend verwerven de
aantekening ZWEETHOND F3 = Zw F3.
2. Honden, die de proef "TOTVERBELLEN" met goed gevolg hebben afgelegd,
verwerven de aantekening TOTVERBELLER = Tb. Honden, die de proef
"TOTVERWEISEN" met
goed gevolg hebben afgelegd verwerven de aantekening TOTVERWEISER = Tw.
Deze
pagina's zijn pas
vernieuwd.
Indien u een aanvulling heeft of als u een fout of onvolkomenheid
ontdekt wilt u dat dan doorgeven aan:
Disclaimer
|
|
|
|