|
Zweetwerk
Over het zweetwerk met honden zijn
tientallen boeken
geschreven. In al deze boeken staat de hond en het na te zoeken wild
voorop.
Om een hond ( van
welk jachthonden ras dan ook) op zweet af
te richten, is een vrij lange weg te gaan.
Voor de
duidelijkheid: zweet is het bloed van schalenwild (
= wild met hoeven). Zweet komt vrij na een schot of na een aanrijding
met een
motorvoertuig. Er wordt in Nederland beduidend meer reewild, roodwild,
damwild
en wild zwijn aangereden dan dat er grofwild wordt aangeschoten tijdens
de
jacht.
De aanschot- of
aanrijdingsplaats laat voor de getrainde
zweethonden en voorjagers vaak dingen zien, waar hij of zij tijdens de
nazoek
mee te maken kan en zal krijgen.
Op een
aanschotplaats (= de plek waar het wild is aangeschoten
c.q aangereden is) kunnen diverse soorten schottekens worden
aangetroffen:
Snijhaar (= haar
wat door aanrijding of schot losraakt): dit
kan van de inschot- of uitschotplek afkomstig zijn. Ook de lengte van
deze
haren kunnen een indicatie geven waar het schot is afgekomen op het na
te
zoeken grofwild.
Stukjes bot: op de
aanschotplaats kunnen ook stukjes bot
liggen. Het afgeplatte bot is van een rib en heeft met het in- of
uitschot het
lichaam verlaten. Dit in combinatie met zweet laat zien dat het stuk
grofwild
op het blad geraakt.(Het blad is de dodelijkste plaats voor het wild,
hierbij
worden longen en hart geraakt). Het zweet dat bij een longschot hoort
is licht
roze van kleur.
Met het vinden van
dit zweet op de aanschotplaats is het
wild niet verder gevlucht dan max.100 meter en ligt daar dood in zijn
wondbed.
Ligt er ook donkerder zweet op de aanschotplaats, dan kan het een
hartschot
zijn en zal het wild niet verder liggen dan 50 meter van de
aanschotplaats.
Bij het aantreffen
van donker zweet in combinatie met
maaginhoud of donkere substantie (lever), kan het wild maximaal 150
meter vluchten en
dan sterven in het wondbed. Een
hert, damhert of wildzwijn kan met deze verwonding wel één kilometer of
meer afleggen,
om dan in het wondbed te gaan liggen.
Gaat men te vroeg
nazoeken met de hond dan bestaat de kans
dat het wild weer wordt opgestoten en verder zal vluchten. De wachttijd
voor je
aan de nazoek begint is ongeveer 4 uren.
Botsplinters of
pijpbeen (= hol bot van de poten ): Hierbij
kan er lichtroze zweet liggen met lichte blaasjes erin. Het lijkt heel
erg op
een longschot, maar is het niet. Tussen je vingers kun je duidelijk het
verschil voelen. Dit zweet is kleveriger
dan van het longschot. Dit is beenmerg dat afkomstig is van een
loperschot (=
schot in de poten ).
Om wild met een
loperschot binnen te halen met de hond,
moeten hond en voorjager over de nodige ervaring beschikken.
Tevens moet de hond
scherp genoeg zijn om als het wild uit
het wondbed wordt opgestoten, en er kan geen vangschot worden gegeven,
dit wild
te hetsen (= het wild terplekke en in bedwang houdt) en te stellen (=
op de
plek te houden ) tot er een vangschot kan worden afgegeven.
Het luid geven op
het warme spoor en het standluid geven bij
het gewonde dier klinkt dan als muziek in de oren.
Deze nazoek is voor
een vergevorderde hond en voorjager.
Ook een moeilijke
nazoek is het kaakschot, hierbij is het
wild nog heel goed ter been en zal nadat het is opgestoten uit het
wondbed,
vele kilometers lopen. Bij de indicaties op de aanschotplaats liggen
dan
stukjes kaak, tanden, kiezen en stukjes ervan.
Bij deze indicatie
moet men overleggen met de jachthouder of
de jachtopziener van het betreffende jachtveld.
Zij weten waar het
wild, over de wissels, naar toe gaat. Ze
kunnen dan daar, onder de wind ( zodat het wild hen niet kan ruiken )
gaan
posten en het wild als het daar passeert een vangschot geven. Dit is
een hele
moeilijke nazoek en eist veel ervaring van de voorjager.
Elk spoor laat
onderweg dingen zien aan de voorjager, zoals
hoefafdrukken, bodemverwondingen en zweet. Je moet er als voorjager oog
voor
krijgen om die dingen te zien.
Bij aanrijdingen
met wild gebeurt het veel dat er geen zweet
wordt gevonden, maar het wild toch zo ernstig is verwond dat het na
enkele
honderden meters dood ligt. Inwendige bloedingen zijn dan de
doodsoorzaak. Een
ervaren hond kan dit spoor volgen, alleen op de hoefafdruk van het
wild. Het
aangereden wild geeft aan de hoefjes (adrenaline) geur af, die uit een
klier
komen. De hond ruikt deze adrenaline en zal (mits ervaring in de
praktijk ) dit
spoor volgen.
Het is eigenlijk
hetzelfde wat een wolf doet die bij een
kudde het zieke dier eruit kiest en dit op de angstgeur van het wild
volgt en
grijpt.
Maar voor we met
onze hond zover zijn, moeten we eerst een
gedegen training met onze viervoeter volgen. De hond moet natuurlijk
over een
goede neus en uithoudingsvermogen beschikken. Dit is voor de meeste
jachthondenrassen geen probleem.
Het liefst begin ik
de training met honden van ongeveer 6 à
9 maanden oud. De honden moeten onder alle omstandigheden aan de lange
zweetriem ( 8 – 10 meter ) kunnen lopen.
Ik maak een
spoortje met wildzweet en sleep hierbij met een
reeënvel over het spoor. De eerste sporen moeten relatief gemakkelijk
zijn voor
de jonge hond. Lengte ongeveer 150 meter met daarin één haak (= liggend
markeerpunt in het spoor) en een wondbed.
In dit wondbed doe
ik extra zweet en snijhaar van het
reeënvel dat ik meesleep.Op het eind leg ik dit vel als beloning voor
de jonge
hond.
Het spoor laat ik 3
á 4uur liggen vóór ik het met de hond ga
lopen. Ik markeer dit spoor, als ik het leg, heel duidelijk voor
mijzelf. Zo
kan ik beoordelen of de hond goed op het spoor zit of niet, en waar ik
in moet
grijpen of niet.
Je moet vooral
rustig blijven en de hond onderweg de nodige
steun geven. Het woord ”braaf” af en toe is geen overbodige luxe. De
hond
krijgt bij de aanschotplaats het commando “ zoek de bok”. Als de hond
van het
spoor afgaat en de verleiding van vers wild pakt is het “nee, foei
gezond”, daarna
krijgt de hond weer het commando ‘’zoek de bok’’. Pakt de hond het
spoor weer
op, dan is het weer ‘’ja, braaf”.
Als de hond bij het
stuk komt, dan mag je hem uitvoerig
belonen met de stem, en als hij het stuk wil pakken is dat ook geen
probleem.
Dit moet zelfs gestimuleerd worden . ( Denk aan later, met een levend
stuk wild
in de praktijk.)
Even tussendoor:
Een teckel van 8 kilogram moet een
volwassen reebok kunnen stellen, tegen de grond drukken en afwurgen. (
Dit
heeft met de scherpte van de hond te maken )
Om de twee weken
oefen je met je hond een zweetspoortje, dit
bouw je uit naar gelang de hond werkt. Ook de tijdsduur van het spoor
pas je
aan. Het vel slepen laat je ook weg. Zorg er wel voor, het spoor
duidelijk te
markeren, zodat je de hond niet op het verkeerde been zet.
Er is een lange weg
te gaan om een hond goed te trainen en
er succesvol mee te kunnen zijn op wedstrijden en in de praktijk.
Het beste is niet
zelf te pionieren, maar je aan te sluiten
bij een trainingsgroepje en een instructeur die de kennis in huis
heeft. Of
bezoek eens een workshop van de rasvereniging. Hierbij steek je een
hoop op en
worden je hond en jij op het goede (zweet-) spoor gezet.
John Feijen
Deze
pagina's zijn pas
vernieuwd.
Indien u een aanvulling heeft of als u een fout of onvolkomenheid
ontdekt wilt u dat dan doorgeven aan:
Disclaimer
|